Op weg naar A

Kinderen kunnen vanaf 4½ jaar terecht voor het leren zwemmen. De zwemlessen worden door een of twee instructeurs aan groepjes van circa 8 á 10 kinderen gegeven. Ondanks dat er in groepen gewerkt wordt, wordt er individueel naar de kinderen gekeken, omdat geen enkel kind hetzelfde is. Het ene is bang, het volgende heel speels enz. Het is dan ook moeilijk te zeggen hoe lang het duurt voor een kind aan het eerste diploma toe is.
Er wordt tijdens de zwemles geen gebruik gemaakt van drijfmiddelen. Tijdens het watervreesvrij maken wordt er wel gebruikgemaakt van spelmateriaal. Als kinderen eenmaal watervreesvrij zijn leren de kinderen (uit)drijven op zowel de buik als de rug. Het eigen drijfvermogen van het kind wordt als uitgangspunt gebruikt bij het aanleren van de zwemslagen.
De verschillende groepen hebben allemaal een eigen kleur en elk een eigen doelstelling. Er wordt gewerkt volgens een lesplan. Hier is een opbouwende lijn in te zien. Als het kind zelf kan drijven, wordt er begonnen met het aanleren van schoolslag en rugslag. Deze slagen worden stapsgewijs aangeleerd. Als het kind de slag beheerst, wordt het aantal slagen uitgebreid en later het aantal meters uitgebreid tot 25 meter.
Naast schoolslag en rugslag, worden er ook oefeningen gedaan ter voorbereiding op borst- en rugcrawl en watertrappen. Verder krijgt het veilig in en uit het water gaan veel aandacht.
De opbouw van de zwemslagen en kleurindeling van de lintjes is in grote lijnen als volgt;

Licht blauw:
– watervreesvrij maken
– vrij spetteren en bewegen in het water
– zelfstandig leren drijven op zowel borst als rug en zelfstandig gaan staan, na het drijven

Wit lintje :
– aanleren van de beenslag van de schoolslag
– aanleren van de enkelvoudige rugslag
– uitdrijven, onderwater gaan, voorwerp van de bodem pakken en springen in het water

Geel lintje :
– de aangeleerde beenslag van de schoolslag en de rugslag wordt herhaald
– aanleren van de armslag van de schoolslag
– aanleren van de beenslag van de borstcrawl en van de rugcrawl
– uitdrijven, onderwater door poortje gaan en springen in het water

Oranje lintje :
– de aangeleerde rugslag en de beenslag van de borstcrawl en de rugcrawl wordt herhaald
– aanleren van de combinatie beenslag/armslag van de schoolslag, gezicht mag hierbij evt. nog in het water
– aanleren van de armslag van de borstcrawl en de rugcrawl
– uitdrijven, onderwater door een gat in het zeil zwemmen en eerste start met aanleren van de kopsprong

Paars lintje :
– hele banen schoolslag in de juiste combinatie, met het hoofd boven water en goede ademhaling
– hele banen rugslag met de armen gestrekt langs het lichaam
– aanleren juiste combinatie beenslag/armslag van de borstcrawl en van de rugcrawl
– draai om de lengte-as, onderwater door het gat zwemmen, aanleren kopsprong en oefenen watertrappen

Rood lintje:
– oefenen langere afstanden van de diverse zwemslagen
– oefenen eisen van het A-diploma

Leren zwemmen is belangrijk, maar mag vooral ook leuk zijn. We proberen naast het aanleren van de diverse zwemslagen ook spelenderwijs bezig te zijn met andere belangrijke aspecten van het zwemmen. Het watervreesvrij zijn, het ontspannen bewegen, (uit)drijven, onderwater gaan, ademhaling, (veilig) te water gaan enz. komt dan ook in elke groep terug. De verschillende doelen van de groepen sluiten bij elkaar aan en overlappen hier en daar, zodat er een vloeiende ontwikkeling kan ontstaan in het leren van de zwemslagen.
Dit alles vormt de basis voor het Zwem ABC.

De vaardigheden van kinderen worden op (papieren) lijsten bijgehouden. Tijdens de kijkdagen, die 3 keer in het jaar gehouden worden (maart, juni en november), kunnen vaardigheden door de ouders bekeken en besproken worden. Tussendoor kunnen vragen of opmerkingen voor of na het lesuur gesteld worden aan een van de coördinatoren.